Jozua
11
Het geschiedde na de dood van Mozes, de knecht
des Heren, dat de Here tot Jozua, de zoon van
Nun, de dienaar van Mozes, zeide:
2 Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u
gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele
volk, naar het land, dat Ik hun, de Israelieten,
geven zal.
3 Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik
ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb.
4 Van de woestijn en de Libanon ginds tot aan de
grote rivier, de rivier de Eufraat, het gehele land
der Hethieten, en tot aan de Grote Zee in het wes-ten
zal uw gebied zijn.
5 Niemand zal voor u standhouden al de dagen van
uw leven; zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik
met u zijn; Ik zal u niet begeven en u niet verla-ten.
6 Wees sterk en moedig, want gij zult dit volk het
land doen beerven, dat Ik hun vaderen gezworen
heb hun te zullen geven.
7 Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel
nauwgezet overeenkomstig de gehele wet die mijn
knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet
af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoe-dig
zijt, overal waar gij gaat.
8 Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar
overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet
handelt overeenkomstig alles wat daarin geschre-ven
is, want dan zult gij op uw wegen uw doel
bereiken en zult gij voorspoedig zijn.
9 Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig?
Sidder niet en word niet verschrikt, want de Here,
uw God, is met u, overal waar gij gaat.
10 Toen beval Jozua de opzieners van het volk:
11 Gaat midden door de legerplaats en beveelt het
volk aldus: bereidt u teerkost, want binnen drie
dagen zult gij de Jordaan hier overtrekken om
bezit te gaan nemen van het land, dat de Here,
uw God, u tot een bezitting geven zal.
12 Tot de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam
Manasse zeide Jozua:
13 Gedenkt het woord dat Mozes, de knecht des
Heren, u geboden heeft: de Here, uw God, schenkt
u rust en geeft u dit land;
14 Uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee mogen
blijven in het land, dat Mozes u gegeven heeft aan
de overzijde van de Jordaan, maar gij zult, ten strij-de
toegerust, aan de spits uwer broeders optrek-ken,
alle dappere helden, en gij zult hen helpen,
15 Totdat de Here uw broeders rust geschonken heeft
evenals u, en ook zij bezit genomen hebben van het
land dat de Here, uw God, hun geven zal. Dan moogt
gij terugkeren naar uw eigen land en dat in bezit
nemen, hetwelk Mozes, de knecht des Heren, u gege-ven
heeft aan de overzijde van de Jordaan in het oosten.
16 Daarop antwoordden zij Jozua: Al wat gij ons
bevolen hebt, zullen wij doen en overal, waarheen
gij ons zenden zult, zullen wij gaan;
17 Evenzeer als wij naar Mozes gehoord hebben, zul-len
wij naar u horen; moge maar de Here, uw
God, met u zijn, zoals Hij met Mozes geweest is.
18 Ieder die uw bevel weerstreeft en niet hoort naar
uw woorden, wat gij hem ook bevelen zult, zal ter
dood gebracht worden. Alleen, wees sterk en moe-dig!

terug
naar SOS moed nodig

Romeinen
12
1 Ik
vermaan u dan, broeders, met beroep op de
barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt
tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer:
dit is uw redelijke eredienst.
2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar
wordt hervormd door de vernieuwing van uw den-ken,
opdat gij moogt erkennen wat de wil van
God is, het goede, welgevallige en volkomene.
3 Want krachtens de genade, die mij geschonken is,
zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten,
hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedacht-zaamheid,
naar de mate van het geloof, dat God
elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld.
4 Want, gelijk wij in een lichaam vele leden hebben,
en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden
hebben,
5 zo zijn wij, hoewel velen, een lichaam in Christus,
maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van
elkander.
6 Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de
genade, die ons gegeven is:
7 profetie, naar gelang van ons geloof; wie dient, in
het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen;
8 wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in
eenvoud; wie leiding geeft in ijver; wie barmhar-tigheid
bewijst, in blijmoedigheid.
9 De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het
kwade, gehecht aan het goede.
10 Weest in broederliefde elkander genegen, in eer-betoon
elkander ten voorbeeld,
11 in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de
Here.
12 Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdruk-king,
volhardend in het gebed,
13 bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op
de gastvrijheid.
14 Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet.
15 Weest blijde met de blijden, weent met de wenen-den.
16 Weest onderling eensgezind, niet zinnende op
hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige.
Weest niet eigenwijs.
17 Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het
goede voor met alle mensen.
18 Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt,
vrede met alle mensen.
19 Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor
de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de
wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here.
20 Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te
eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken,
want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.
21 Laat u niet overwinnen door het kwade, maar
overwin het kwade door het goede.

terug
naar SOS mijn medemens

Markus
10
1 En
Hij stond op en vertrok vandaar naar het
gebied van Judea en het Overjordaanse, en weder
kwamen de scharen bij Hem samen en weder leer-de
Hij hen, zoals Hij gewoon was.
2 En er kwamen Farizeeen tot Hem en vroegen Hem,
om Hem te verzoeken: Is het een man geoorloofd
zijn vrouw weg te zenden?
3 Hij antwoordde en zeide tot hen: Wat heeft Mozes
u geboden?
4 Zij zeiden: Mozes heeft toegestaan een scheidbrief
te schrijven en haar ( daarmede) weg te zenden.
5 Jezus zeide tot hen: Met het oog op de hardheid
uwer harten heeft hij u dat gebod geschreven.
6 Maar van het begin der schepping heeft Hij hen
als man en vrouw gemaakt;
7 daarom zal een man zijn vader en moeder verla-ten,
en die twee zullen tot een vlees zijn.
8 Zo zijn zij niet meer twee, maar een vlees.
9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de
mens niet.
10 En thuis vroegen de discipelen Hem weder naar
die zaak.
11 En Hij zeide tot hen: Wie zijn vrouw wegzendt en
een andere trouwt, pleegt echtbreuk ten opzichte
van haar;
12 en indien zij haar man verlaat en een ander
trouwt, pleegt zij echtbreuk.
13 En zij brachten de kinderen tot Hem, opdat Hij ze
zou aanraken; doch de discipelen bestraften hen.
14 Toen Jezus dat zag, nam Hij het zeer kwalijk en
zeide tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen,
verhindert ze niet; want voorzodanigen is het
Koninkrijk Gods.
15 Voorwaar, Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet
ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet bin-nengaan.
16 En Hij omarmde ze en hun de handen opleggende,
zegende Hij ze.
17 En toen Hij op weg ging, liep iemand op Hem toe,
viel op de knieen en vroeg Hem: Goede Meester,
wat moet ik doen om het eeuwige leven te beer-ven?
18 En Jezus zeide tot hem: Waarom noemt gij Mij
goed? Niemand is goed dan God alleen.
19 Gij kent de geboden: Gij zult niet doodslaan, gij
zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult
geen vals getuigenis geven, gij zult niet ontvreem-den,
eer uw vader en moeder.
20 Hij zeide tot Hem: Meester, dat alles heb ik in acht
genomen van mijn jeugd af.
21 En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en zeide
tot hem: Een ding ontbreekt u, ga heen, verkoop
al wat gij hebt en geef het aan de armen, en gij
zult een schat in de hemel hebben, en kom hier,
volg Mij.
22 Maar zijn gelaat betrok bij dat woord en hij ging
bedroefd heen, want hij bezat vele goederen.
23 En Jezus, rondziende, zeide tot zijn discipelen: Hoe
moeilijk zullen zij, die geld hebben, het Koninkrijk
Gods binnengaan.
24 En zijn discipelen waren zeer verbaasd over zijn
woorden, maar Jezus antwoordde weder en zeide
tot hen: Kinderen, hoe moeilijk is het het
Koninkrijk Gods binnen te gaan.
25 Het is gemakkelijker dat een kameel gaat door het
oog ener naald, dan dat een rijke het Koninkrijk
Gods binnengaat.
26 En zij waren nog meer verslagen en zeiden tot
elkander: Maar wie kan dan behouden worden?
27 Jezus zag hen aan en zeide: Bij mensen is het
onmogelijk, maar niet bij God want alle dingen
zijn mogelijk bij God.
28 Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben
alles prijsgegeven en zijn U gevolgd.
29 Jezus zeide: Voorwaar, Ik zeg u, er is iemand, die
huis of broeders of zusters of moeder of vader of
kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en
om het evangelie,
30 of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in deze
tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en
kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de
toekomende eeuw het eeuwige leven.
31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn en de
laatsten de eersten.
32 Zij waren onderweg, opgaande naar Jeruzalem, en
Jezus ging voor hen uit, en zij waren verbaasd en
zij, die volgden, waren bevreesd. En wederom nam
Hij de twaalven terzijde en begon tot hen te spre-ken
over hetgeen over Hem zou komen:
33 Zie, wij gaan op naar Jeruzalem en de Zoon des
mensen zal overgeleverd worden aan de overpries-ters
en de schriftgeleerden en zij zullen Hem ter
dood veroordelen. En zij zullen Hem overleveren
aan de heidenen,
34 en zij zullen Hem bespotten en Hem bespuwen en Hem
geselen en doden, en na drie dagen zal Hij opstaan.
35 En Jakobus en Johannes, de twee zonen van
Zebedeus, kwamen tot Hem en zeiden tot Hem:
Meester, wij wilden wel dat Gij ons deedt, wat wij
U zullen vragen.
36 Hij zeide tot hen: Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?
37 Zij zeiden tot Hem: Geef ons, dat wij de een aan
uw rechterzijde en de andere aan uw linkerzijde
mogen zitten in uw heerlijkheid.
38 Doch Jezus zeide tot hen: Gij weet niet, wat gij
vraagt. Kunt gij de beker drinken, die Ik drink, of
met de doop gedoopt worden, waarmede Ik
gedoopt word?
39 Zij zeiden tot Hem: Wij kunnen het. Jezus zeide tot
hen: De beker, die Ik drink, zult gij drinken en met
de doop, waarmede Ik gedoopt word, zult gij
gedoopt worden,
40 maar het zitten aan mijn rechterzijde of linkerzij-de,
staat niet aan Mij te geven, maar het is voor
hen, voor wie het bereid is.
41 En toen de tien dit hoorden, begonnen zij het
Jakobus en Johannes kwalijk te nemen.
42 En Jezus riep hen tot Zich en zeide tot hen: Gij
weet, dat zij, die regeerders der volken heten,
heerschappij over hen voeren, en hun rijksgroten
oefenen macht over hen.
43 Zo is het echter onder u niet.
44 Maar wie groot wil worden onder u, zal uw die-naar
zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal
aller slaaf zijn.
45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen
om Zich te laten dienen, maar on te dienen en zijn
leven te geven als losprijs voor velen.
46 En zij kwamen te Jericho. En toen Hij met zijn dis-cipelen
en een talrijke schare uit Jericho vertrok,
zat de zoon van Timeus, Bartimeus, een blinde
bedelaar, aan de weg.
47 En toen hij hoorde, dat het Jezus van Nazaret was,
begon hij te roepen en te zeggen: Zoon van
David, Jezus, heb medelijden met mij!
48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zou.
Doch hij riep des te meer: Zoon van David, heb
medelijden met mij!
49 En Jezus stond stil en zeide: Roept hem. En zij rie-pen
de blinde en zeiden tot hem: Houd moed, sta
op, Hij roept u.
50 Toen wierp hij zijn mantel af, sprong op en ging
naar Jezus.
51 En Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat wilt
gij, dat Ik u doen zal? De blinde zeide tot Hem:
Rabboeni, dat ik ziende worde!
52 En Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw geloof heeft
u behouden. En terstond werd hij ziende en volg-de
Hem op de weg.

terug
naar SOS investeringen

Psalm
27
1
Van David. De Here is mijn licht en mijn heil, voor
wie zou ik vrezen? De Here is mijns levens veste,
voor wie zou ik vervaard zijn?
2 Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees
te eten (mijn tegenstanders en mijn vijanden) zijn
zij zelf gestruikeld en gevallen.
3 Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest
niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans
blijf ik vertrouwen.
4 Een ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik:
te verblijven in het huis des Heren al de dagen van
mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aan-schouwen,
en om te onderzoeken in zijn tempel.
5 Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des
kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van
zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots.
6 En nu heft mijn hoofd zich op boven mijn vijanden
rondom mij; daarom wil ik in zijn tent offeren
offers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen
de Here.
7 Hoor, Here, hoe ik luide roep, wees mij genadig en
antwoord mij.
8 Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aange-zicht.
Ik zoek uw aangezicht, Here.
9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw
knecht niet af in toorn, Gij waart mijn hulp; ver-werp
mij niet en verlaat mij niet, o God mijns
heils.
10
Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch
neemt de Here mij aan.
11 Onderwijs mij, Here, uw weg en leid mij op een
effen pad om mijner belagers wil;
12 Geef mij niet prijs aan de lust van mijn tegenstan-ders,
want valse getuigen staan tegen mij op, en
hij die geweld blaast.
13 O, als ik niet had geloofd des Heren goedheid te
zullen zien in het land der levenden!
14 Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onver-saagd;
ja wacht op de Here.

terug
naar SOS neerslachtig

Psalm
37
1
Van David. Wees niet afgunstig op de bedrijvers
van ongerechtigheid, benijd niet wie onrecht ple-gen;
2 Want zij verdorren snel als het gras, en verwelken
als het groene kruid.
3 Vertrouw op de Here en doe het goede, woon in
het land en betracht getrouwheid;
4 Verlustig u in de Here; dan zal Hij u geven de
wensen van uw hart.
5 Wentel uw weg op de Here en vertrouw op Hem,
en Hij zal het maken;
6 Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht,
en uw recht als de middag.
7 Wees stil voor de Here en verbeid Hem; wees niet
afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op
de man die boze plannen smeedt.
8 Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen,
wees niet afgunstig; dat sticht louter kwaad.
9 Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de
Here verwachten, zij zullen het land beerven:
10 Immers nog een wijle, en de goddeloze is niet
meer; als gij let op zijn plaats, dan is hij niet meer;
11 Maar de ootmoedigen beerven het land en verlus-tigen
zich in grote vrede.
1 Van David. Wees niet afgunstig op de bedrijvers
van ongerechtigheid, benijd niet wie onrecht ple-gen;
2 Want zij verdorren snel als het gras, en verwelken
als het groene kruid.
3 Vertrouw op de Here en doe het goede, woon in
het land en betracht getrouwheid;
4 Verlustig u in de Here; dan zal Hij u geven de
wensen van uw hart.
5 Wentel uw weg op de Here en vertrouw op Hem,
en Hij zal het maken;
6 Hij zal uw gerechtigheid doen opgaan als het licht,
en uw recht als de middag.
7 Wees stil voor de Here en verbeid Hem; wees niet
afgunstig op wie zijn weg voorspoedig maakt, op
de man die boze plannen smeedt.
8 Sta af van toorn en laat de grimmigheid varen,
wees niet afgunstig; dat sticht louter kwaad.
9 Want boosdoeners worden uitgeroeid, maar wie de
Here verwachten, zij zullen het land beerven:
10 Immers nog een wijle, en de goddeloze is niet
meer; als gij let op zijn plaats, dan is hij niet meer;
11 Maar de ootmoedigen beerven het land en verlus-tigen
zich in grote vrede.
12 De goddeloze smeedt boze plannen tegen de
rechtvaardige en knarst de tanden tegen hem;
13 De Here belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag
komt.
14 De goddelozen ontbloten het zwaard en spannen
hun boog, om ellendigen en armen neer te vellen,
om de oprechten van wandel te slachten;
15 Hun zwaard zal in hun eigen hart dringen, en hun
bogen zullen verbroken worden.
16 Beter is het weinige van de rechtvaardige dan de
rijkdom van vele goddelozen;
17 Want de armen der goddelozen worden verbroken,
maar de Here schraagt de rechtvaardigen.
18 De Here kent de dagen der vromen, en hun erf-deel
zal voor altoos bestaan;
19 In boze tijd zullen zij niet beschaamd worden, in
dagen van hongersnood zullen zij verzadigd wor-den.
20 Voorwaar, de goddelozen gaan te gronde, de vij-anden
des Heren zijn als de pracht der landouwen:
zij vergaan, in rook vergaan zij.
21 De goddeloze vraagt te leen en geeft niet terug,
maar de rechtvaardige ontfermt zich en schenkt.
22 Voorwaar, de door Hem gezegenden beerven het
land, maar de door Hem gevloekten worden uitge-roeid.
23 Door de Here worden de schreden van de man
bevestigd, aan wiens weg Hij welgevallen heeft;
24 Wanneer hij valt, stort hij niet neder, want de Here
schraagt zijn hand.
25 Jong ben ik geweest, ook ben ik oud geworden,
maar een rechtvaardige heb ik niet verlaten
gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood;
26 Te allen tijde ontfermt hij zich en leent uit, en zijn
nageslacht is tot een zegen.
27 Wijk van het kwade en doe het goede, dan zult gij
voor altoos wonen;
28 Want de Here bemint het recht, en Hij verlaat zijn
gunstgenoten niet. Voor altoos blijven zij bewaard,
maar het nageslacht der goddelozen wordt uitge-roeid.
29 De rechtvaardigen beerven het land en wonen
daarin voor immer.
30 De mond van de rechtvaardige gewaagt van wijs-heid,
zijn tong spreekt het recht;
31 De wet van zijn God is in zijn hart, zijn schreden
wankelen niet.
32 De goddeloze loert op de rechtvaardige en zoekt
hem te doden;
33 De Here geeft hem in zijn hand niet over, Hij laat
niet toe, dat hij veroordeeld wordt, als hij voor het
gericht komt.
34 Wacht op de Here en bewaar zijn weg, dan zal Hij
u verhogen om het land te beerven, de uitroeiing
van goddelozen zult gij met vreugde zien.
35 Ik zag een goddeloze, een geweldenaar, die zich
uitbreidde als een weelderige woekerplant;
36 Toen iemand voorbijging, zie, hij was niet meer, ik
zocht hem, maar hij was niet te vinden.
37 Sla de vrome gade en zie op de oprechte, want de
man des vredes heeft nakroost;
38 Maar de overtreders worden tezamen verdelgd,
het nakroost van de goddelozen wordt uitgeroeid.
39 Doch het heil der rechtvaardigen is van de Here,
hun schutse ten tijde der benauwdheid;
40 De Here helpt hen en doet hen ontkomen, Hij
doet hen ontkomen aan de goddelozen en verlost
hen, want zij schuilen bij Hem.

terug
naar SOS lege portemonnee

Psalm
126
1
Een bedevaartslied. Toen de Here de gevangenen
van Sion deed wederkeren, waren wij als degenen
die dromen.
2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, onze
tong met gejuich. Toen zeide men onder de heide-nen:
De Here heeft grote dingen bij hen gedaan!
3 De Here heeft grote dingen bij ons gedaan, wij
waren verheugd.
4 Here, wend ons lot als beken in het Zuiderland.
5 Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
6 Hij gaat al wenende voort, die de zaadbuidel
draagt; voorzeker zal hij komen met gejuich, dra-gende
zijn schoven.

terug
naar moedeloos van werk

Psalm
19
1
Voor de koorleider. Een psalm van David.
2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel
verkondigt het werk zijner handen;
3 De dag doet sprake toestromen aan de dag, en de
nacht predikt kennis aan de nacht.
4 Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun
stem wordt niet vernomen:
5 Toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde
en hun taal tot aan het einde der wereld.ƒ Hij
heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon,
6 Die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek
treedt, jubelend als een held om het pad te lopen.
7 Van het ene einde des hemels is haar opgang en
haar omloop tot het andere einde; niets blijft ver-borgen
voor haar gloed.
8 De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel;
de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij
schenkt wijsheid aan de onverstandige.
9 De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheu-gen
het hart; het gebod des Heren is louter, het
verlicht de ogen.
10 De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig;
de verordeningen des Heren zijn waarheid, alteg-ader
rechtvaardig.
11 Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud;
en zoeter dan honig, ja dan honigzeem uit de
raat.
12 Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig verma-nen;
in het houden ervan ligt rijke beloning.
13 Afdwalingen, wie bemerkt ze? Spreek van de ver-borgene
mij vrij.
14 Behoed ook uw knecht voor overmoed, laat die
over mij niet heersen; dan ben ik onberispelijk en
vrij van grove overtreding.
15 Mogen de woorden van mijn mond en de overleg-gingen
van mijn hart U welgevallig zijn, o Here,
mijn rots en mijn verlosser.

terug
naar SOS wereld klein, zelf groot

Psalm
34 : 7
7
Deze ellendige hier riep en de Here hoorde, Hij
verloste hem uit al zijn benauwdheden.

terug
naar SOS omgaan met angst

Psalm
121 : 3
3
Hij zal niet toelaten, dat uw voet wankelt, uw
Bewaarder zal niet sluimeren.

terug
naar SOS zekerheid/veiligheid

Markus
8 : 35
35
Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die
zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verlie-zen
zal om Mijnentwil en om des evangelies wil,
die zal het behouden.

terug
naar SOS levensverzekering

Psalm
145 : 18
18
De Here is nabij allen die Hem aanroepen, allen
die Hem aanroepen in waarheid.

terug
naar SOS geruststelling


|