TEKSTVERWIJZING SOS TELEFOONNUMMERS 

(deel 1)

Online Bijbel (N.B.G. vertaling)

Johannes 14

1 Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God,
gelooft ook in Mij.
2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen -anders
zou Ik het u gezegd hebben - want Ik ga
heen om u plaats te bereiden;
3 en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid
heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat
ook gij zijn moogt, waar Ik ben.
4 En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg.
5 Tomas zeide tot Hem: Here, wij weten niet, waar
Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?
6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid
en het leven; niemand komt tot de Vader dan door
Mij.
7 Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader
gekend hebben. Van nu aan kent gij Hem en hebt
gij Hem gezien.
8 Filippus zeide tot Hem: Here, toon ons de Vader
en het is ons genoeg.
9 Jezus zeide tot hem: Ben Ik zolang bij u, Filippus,
en kent gij Mij niet? Wie Mij gezien heeft, heeft de
Vader gezien; hoe zegt gij dan: Toon ons de
Vader?
10 Gelooft gij niet, dat Ik in de Vader ben en de
Vader in Mij is? De woorden, die Ik tot u spreek,
zeg Ik uit Mijzelf niet; maar de Vader, die in Mij
blijft, doet zijn werken.
11 Gelooft Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in
Mij is: of anders, gelooft om de werken zelf.
12 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft,
de werken, die Ik doe, zal hij ook doen, en grotere
nog dan deze, want Ik ga tot de Vader;
13 en wat gij ook vraagt in mijn naam, Ik zal het
doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt
worde.
14 Indien gij Mij iets vraagt in mijn naam, Ik zal het
doen.
15 Wanneer gij Mij liefhebt, zult gij mijn geboden
bewaren.
16 En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere
Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn,
17 de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ont-vangen,
want zij ziet Hem niet en kent Hem niet;
maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u
zijn.
18 Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.
19 Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer,
maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven.
20 Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader
ben en gij in Mij en Ik in u.
21 Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het,
die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal geliefd
worden door mijn Vader en Ik zal hem liefhebben
en Mijzelf aan hem openbaren.
22 Judas, niet Iskariot, zeide tot Hem: Here, en hoe
komt het, dat Gij Uzelf aan ons zult openbaren en
niet aan de wereld?
23 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Indien iemand
Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren en mijn
Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem
komen en bij hem wonen.
24 Wie Mij niet liefheeft bewaart mijn woorden niet;
en het woord, dat gij hoort, is niet van Mij, maar
van de Vader, die Mij gezonden heeft.
25 Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u ver-blijf;
26 maar de Trooster, de Heilige Geest, die de Vader
zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u
te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb.
27 Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de
wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde
niet ontroerd of versaagd.
28 Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb; Ik ga
heen en kom tot u. Indien gij Mij liefhadt, zoudt
gij u verblijd hebben, omdat Ik tot de Vader ga,
want de Vader is meer dan Ik.
29 En nu heb Ik het u gezegd, eer het geschiedt,
opdat gij geloven moogt, wanneer het geschiedt.
30 Niet veel zal Ik meer met u spreken, want de over-ste
der wereld komt en heeft aan Mij niets,
31 maar de wereld moet weten, dat Ik de Vader lief-heb
en zo doe, als Mij de Vader geboden
heeft.Staat op, laten wij vanhier gaan.

terug naar SOS TELEFOONNUMMERS

Psalm 27

1 Van David. De Here is mijn licht en mijn heil, voor
wie zou ik vrezen? De Here is mijns levens veste,
voor wie zou ik vervaard zijn?
2 Toen boosdoeners op mij afkwamen om mijn vlees
te eten (mijn tegenstanders en mijn vijanden) zijn
zij zelf gestruikeld en gevallen.
3 Al legert zich een leger tegen mij, mijn hart vreest
niet; al verheft zich een krijg tegen mij, nochtans
blijf ik vertrouwen.
4 Een ding heb ik van de Here gevraagd, dit zoek ik:
te verblijven in het huis des Heren al de dagen van
mijn leven, om de liefelijkheid des Heren te aan-schouwen,
en om te onderzoeken in zijn tempel.
5 Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des
kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van
zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots.
6 En nu heft mijn hoofd zich op boven mijn vijanden
rondom mij; daarom wil ik in zijn tent offeren
offers met geschal, ik wil zingen, ja psalmzingen
de Here.
7 Hoor, Here, hoe ik luide roep, wees mij genadig en
antwoord mij.
8 Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aange-zicht.
Ik zoek uw aangezicht, Here.
9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw
knecht niet af in toorn, Gij waart mijn hulp; ver-werp
mij niet en verlaat mij niet, o God mijns
heils.
10 Al hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch
neemt de Here mij aan.
11 Onderwijs mij, Here, uw weg en leid mij op een
effen pad om mijner belagers wil;
12 Geef mij niet prijs aan de lust van mijn tegenstan-ders,
want valse getuigen staan tegen mij op, en
hij die geweld blaast.
13 O, als ik niet had geloofd des Heren goedheid te
zullen zien in het land der levenden!
14 Wacht op de Here, wees sterk, uw hart zij onver-saagd;
ja wacht op de Here.

terug naar SOS teleurstelling 

Johannes 15

1 Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de land-man.
2 Elke rank aan Mij, die geen vrucht draagt, neemt
Hij weg, en elke die wel vrucht draagt, snoeit Hij,
opdat zij meer vrucht drage.
3 Gij zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gespro-ken
heb; blijft in Mij, gelijk Ik in u.
4 Evenals de rank geen vrucht kan dragen uit zich-zelf,
als zij niet aan de wijnstok blijft, zo ook gij
niet, indien gij in Mij niet blijft.
5 Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken. Wie in Mij
blijft, gelijk Ik in hem die draagt veel vrucht, want
zonder Mij kunt gij niets doen.
6 Wie in Mij niet blijft, is buitengeworpen als de
rank en is verdord, en men verzamelt ze en werpt
ze in het vuur en zij worden verbrand.
7 Indien gij in Mij blijft en mijn woorden in u blij-ven,
vraagt wat gij maar wilt, en het zal u gewor-den.
8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht
draagt en gij zult mijn discipelen zijn.
9 Gelijk de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u
liefgehad; blijft in mijn liefde.
10 Indien gij mijn geboden bewaart, zult gij in mijn
liefde blijven, gelijk Ik de geboden mijns Vaders
bewaard heb en blijf in zijn liefde.
11 Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap
in u zij en uw blijdschap vervuld worde.
12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijk
Ik u heb liefgehad.
13 Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn
leven inzet voor zijn vrienden.
14 Gij zijt mijn vrienden, indien gij doet, wat Ik u
gebied.
15 Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet
niet, wat zijn heer doet; maar u heb Ik vrienden
genoemd, omdat Ik alles, wat Ik van mijn Vader
gehoord heb, u heb bekend gemaakt.
16 Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en u
aangewezen, opdat gij zoudt heengaan en vrucht
dragen en uw vrucht zou blijven, opdat de Vader u
alles geve, wat gij Hem bidt in mijn naam.
17 Dit gebied Ik u, dat gij elkander liefhebt.
18 Indien de wereld u haat, weet dan, dat zij Mij eer
dan u gehaat heeft.
19 Indien gij van de wereld waart, zou de wereld het
hare liefhebben, doch omdat gij van de wereld
niet zijt, maar Ik u uit de wereld uitgekozen heb,
daarom haat u de wereld.
20 Gedenkt het woord, dat Ik tot u gesproken heb:
Een slaaf staat niet boven zijn heer. Indien zij Mij
vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen;
indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen
ook het uwe bewaren.
21 Maar dit alles zullen zij u aandoen om mijn naam,
want zij kennen Hem niet, die Mij gezonden heeft.
22 Indien Ik niet gekomen was en tot hen gesproken
had, zij zouden geen zonde hebben, maar nu heb-ben
zij geen voorwendsel voor hun zonde.
23 Wie Mij haat, haat ook mijn Vader.
24 Indien ik niet de werken onder hen gedaan had,
die niemand anders gedaan heeft, zouden zij geen
zonde hebben; maar nu hebben zij, hoewel zij ze
gezien hebben, toch Mij en mijn Vader gehaat.
25 Maar het woord moet vervuld worden, dat in hun
wet geschreven is: Zij hebben Mij zonder reden
gehaat.
26 Wanneer de Trooster komt, die Ik u zenden zal van
de Vader, de Geest der Waarheid, die van de
Vader uitgaat, zal deze van Mij getuigen;
27 en gij moet ook getuigen, want gij zijt van het
begin aan met Mij.

terug naar SOS vruchtdragend of

terug naar SOS mensen onvriendelijk

Psalm 51

1 Voor de koorleider. Een psalm van David,
2 Toen de profeet Natan bij hem gekomen was,
nadat hij tot Batseba was gekomen.
3 Wees mij genadig, o God, naar uw goedertieren-heid,
delg mijn overtredingen uit naar uw grote
barmhartigheid;
4 Was mij geheel van mijn ongerechtigheid, reinig
mij van mijn zonde.
5 Want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat
bestendig voor mij.
6 Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan
wat kwaad is in uw ogen, opdat Gij rechtvaardig
blijkt in uw uitspraak, zuiver in uw gericht.
7 Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde
heeft mijn moeder mij ontvangen.
8 Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene, in het
geheim maakt Gij mij wijsheid bekend.
9 Ontzondig mij met hysop, dan ben ik rein, was
mij, dan ben ik witter dan sneeuw;
10 Doe mij blijdschap en vreugde horen, laat het
gebeente dat Gij verbrijzeld hebt, weer jubelen.
11 Verberg uw aangezicht voor mijn zonden, delg al
mijn ongerechtigheden uit.
12 Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in
mijn binnenste een vaste geest;
13 Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw
Heilige Geest niet van mij;
14 Hergeef mij de blijdschap over uw heil, en laat een
gewillige geest mij schragen.
15 Dan zal ik overtreders uw wegen leren, opdat zon-daars
zich tot U bekeren.
16 Red mij van bloedschuld, o God, God mijns heils,
laat mijn tong over uw gerechtigheid jubelen;
17 Here, open mijn lippen, opdat mijn mond uw lof
verkondige.
18 Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik
die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen
welgevallen.
19 De offeranden Gods zijn een verbroken geest; een
verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o
God.
20 Doe wel aan Sion naar uw welbehagen, bouw de
muren van Jeruzalem.
21 Dan zult Gij behagen hebben in offers naar de eis,
brandoffers in hun geheel gebracht; dan zal men
stieren op uw altaar offeren.

terug naar SOS gezondigd

Mattheüs 6 : 19 - 34

19 Verzamelt u geen schatten op aarde, waar mot en
roest ze ontoonbaar maakt en waar dieven inbre-ken
en stelen;
20 maar verzamelt u schatten in de hemel, waar noch
mot noch roest ze ontoonbaar maakt en waar
geen dieven inbreken of stelen.
21 Want, waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
22 De lamp van het lichaam is het oog. Indien dan
uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht
zijn;
23 maar indien uw oog slecht is, zal geheel uw
lichaam duister zijn. Indien nu wat licht in u is,
duisternis is, hoe groot is dan de duisternis!
24 Niemand kan twee heren dienen, want hij zal of
de ene haten en de andere liefhebben, of zich aan
de ene hechten en de andere minachten; gij kunt
niet God dienen en Mammon.
25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw
leven, wat gij zult eten of drinken, of over uw
lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven
niet meer dan het voedsel en het lichaam meer
dan de kleding?
26 Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en
maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en
toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet
verre te boven?
27 Wie van u kan door bezorgd te zijn een el aan zijn
lengte toevoegen?
28 En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de
lelien des velds, hoe zij groeien:
29 zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat
zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was
als een van deze.
30 Indien nu God het gras des velds, dat er heden is
en morgen in de oven geworpen wordt, zo
bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleinge-lovigen?
31 Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen
wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede
zullen wij ons kleden?
32 Want naar al deze dingen gaat het zoeken der hei-denen
uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij
dit alles behoeft.
33 Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtig-heid
en dit alles zal u bovendien geschonken wor-den.
34 Maakt u dan niet bezorgd tegen de dag van mor-gen,
want de dag van morgen zal zijn eigen zor-gen
hebben; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen
kwaad.

terug naar SOS zorgen

Psalm 91

1 Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is geze-ten,
vernacht in de schaduw des Almachtigen.
2 Ik zeg tot de Here: Mijn toevlucht en mijn vesting,
mijn God, op wie ik vertrouw.
3 Want Hij is het, die u redt van de strik des vogel-vangers,
van de verderfelijke pest.
4 Met zijn vlerken beschermt Hij u, en onder zijn
vleugelen vindt gij een toevlucht; zijn trouw is
schild en pantser.
5 Gij hebt niet te vrezen voor de verschrikking van
de nacht, voor de pijl, die des daags vliegt;
6 Voor de pest, die in het duister rondwaart, voor
het verderf, dat op de middag vernielt.
7 Al vallen er duizend aan uw zijde, en tienduizend
aan uw rechterhand, tot u zal het niet genaken;
8 Slechts zult gij het met uw ogen aanschouwen, en
de vergelding aan de goddelozen zien.
9 Want Gij, o Here, zijt mijn toevlucht. De
Allerhoogste hebt gij tot uw schutse gesteld;
10 Geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw
tent naderen;
11 Want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden,
dat zij u behoeden op al uw wegen;
12 Op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw
voet niet aan een steen stoot.
13 Op leeuw en adder zult gij treden, jonge leeuw en
slang zult gij vertrappen.
14 Omdat hij Mij zeer bemint, zal Ik hem bevrijden;
Ik zal hem beschutten, omdat hij mijn naam kent.
15 Roept hij Mij aan, Ik zal hem antwoorden; Ik zal in
de benauwdheid bij hem zijn, Ik zal hem uitredden
en tot ere brengen.
16 Met lengte van dagen zal Ik hem verzadigen, en Ik
zal hem mijn heil doen zien.

terug naar SOS gevaar

Psalm 139

1 Voor de koorleider. Van David. Een psalm. Here,
Gij doorgrondt en kent mij;
2 Gij kent mijn zitten en mijn opstaan, Gij verstaat
van verre mijn gedachten;
3 Gij onderzoekt mijn gaan en mijn liggen, met al
mijn wegen zijt Gij vertrouwd.
4 Want er is geen woord op mijn tong, of, zie, Here,
Gij kent het volkomen;
5 Gij omgeeft mij van achteren en van voren en Gij
legt uw hand op mij.
6 Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven, ik
kan er niet bij.
7 Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen
vlieden voor uw aangezicht?
8 Steeg ik ten hemel; Gij zijt daar. Of maakte ik het
dodenrijk tot mijn sponde; Gij zijt er;
9 Nam ik vleugelen van de dageraad, ging ik wonen
aan het uiterste der zee,
10 Ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechter-hand
mij vastgrijpen.
11 Zeide ik: Duisternis moge mij overvallen, dan is de
nacht een licht om mij heen;
12 Zelfs de duisternis verbergt niet voor U, maar de
nacht licht als de dag, de duisternis is als het licht.
13 Want Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de
schoot van mijn moeder geweven.
14 Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebe-reid,
wonderbaar zijn uw werken; mijn ziel weet
dat zeer wel.
15 Mijn gebeente was voor U niet verholen, toen ik in
het verborgene gemaakt werd, gewrocht in de
diepten van het aardrijk;
16 Uw ogen zagen mijn vormeloos begin; in uw boek
waren zij alle opgeschreven, de dagen, die gefor-meerd
zouden worden, toen nog geen daarvan
bestond.
17 Hoe kostelijk zijn mij uw gedachten, o God, hoe
overweldigend is haar getal.
18 Wilde ik ze tellen, zij zijn talrijker dan het zand; als
ik ontwaak, dan ben ik nog bij U.
19 O God, dat Gij toch de goddelozen ombracht, (gij,
mannen des bloeds, wijkt van mij)
20 Die arglistig tegen U spreken en uw naam tot leu-gen
gebruiken, uw tegenstanders.
21 Zou ik niet haten, Here, wie U haten, niet veraf-schuwen
wie tegen U opstaan?
22 Ik haat hen met een volkomen haat, tot vijanden
zijn zij mij.
23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, toets mij
en ken mijn gedachten;
24 Zie, of bij mij een heilloze weg is, en leid mij op
de eeuwige weg.

terug naar SOS God ver weg

Hebreëen 11

1 Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men
hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet
ziet.
2 Want door dit (geloof) is aan de ouden een getui-genis
gegeven.
3 Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door
het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het
zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare.
4 Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer
gebracht dan Kain; hierdoor werd van hem
getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getui-genis
gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij
nog, nadat hij gestorven is.
5 Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij
de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden,
want God had hem weggenomen. Want voordat
hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij
Gode welgevallig was geweest;
6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) wel-gevallig
te zijn. Want wie tot God komt, moet
geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie
Hem ernstig zoeken.
7 Door het geloof heeft Noach, nadat hij een gods-spraak
ontvangen had over iets, dat nog niet
gezien werd, eerbiedig de ark toebereid tot red-ding
van zijn huisgezin; en door dat (geloof) heeft
hij de wereld veroordeeld en is hij een erfgenaam
geworden der gerechtigheid, die aan het geloof
beantwoordt.
8 Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen
werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een
plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij
vertrok, zonder te weten waar hij komen zou.
9 Door het geloof heeft hij vertoefd in het land der
belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten
woonde met Isaak en Jakob, die medeerfgenamen
waren van dezelfde belofte;
10 want hij verwachtte de stad met fundamenten,
waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.
11 Door het geloof heeft ook Sara kracht ontvangen
om moeder te worden, en dat ondanks haar hoge
leeftijd, daar zij Hem, die het beloofd had,
betrouwbaar achtte.
12 Daarom zijn er dan ook uit een man, en wel een
verstorvene, voortgekomen als de sterren des
hemels in menigte en gelijk het zand aan de oever
der zee, dat ontelbaar is.
13 In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder
de beloften verkregen te hebben; slechts uit de
verte hebben zij die gezien en begroet, en zij heb-ben
beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners
waren op aarde.
14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen,
dat zij een vaderland zoeken
15 En als zij gedachtig geweest waren aan het vader-land,
dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegen-heid
gehad hebben terug te keren;
16 maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een
hemels, vaderland. Daarom schaamt God Zich
voor hen niet hun God te heten, want Hij had hun
een stad bereid.
17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht
werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de belof-ten
aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren,
18 hij, tot wie gezegd was: Door Isaak zal men van
nageslacht van u spreken. Hij heeft overwogen,
dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op
te wekken,
19 en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken
teruggekregen.
20 Door het geloof heeft Isaak aan Jakob en Esau zijn
zegen gegeven, ook voor de toekomst.
21 Door het geloof heeft Jakob bij zijn sterven ieder
der zonen van Jozef gezegend en hij heeft aange-beden,
(leunende) op het uiteinde van zijn staf.
22 Door het geloof heeft Jozef aan het einde van zijn
leven gewaagd van de uittocht der kinderen Israels
en voorschriften gegeven over zijn gebeente.
23 Door het geloof is Mozes na zijn geboorte drie
maanden door zijn ouders verborgen gehouden,
omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en
zij hebben het bevel des konings niet gevreesd.
24 Door het geloof heeft Mozes, volwassen gewor-den,
geweigerd door te gaan voor een zoon van
Farao's dochter,
25 maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad ver-dragen,
dan tijdelijk van de zonde te genieten;
26 en hij heeft de smaad van Christus groter rijkdom
geacht dan de schatten van Egypte, want hij hield
de blik gericht op de vergelding.
27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, zonder
de toorn des konings te duchten. Want hij bleef
standvastig, als ziende de Onzienlijke.
28 Door het geloof heeft hij het Pascha gehouden en
het bloed doen aanbrengen, opdat de verderver
hun eerstgeborenen niet zou aanraken.
29 Door het geloof zijn zij door de Rode Zee gegaan
als over droog land, terwijl de Egyptenaars, toen
zij het ook beproefden, verzwolgen werden.
30 Door het geloof zijn de muren van Jericho neerge-stort,
nadat (het volk) er zeven dagen lang
omheen getrokken was.
31 Door het geloof is Rachab, de hoer, niet met de
ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspie-ders
met vrede had opgenomen.
32 En wat moet ik nog verder aanvoeren? Immers, de
tijd zou mij ontbreken, als ik ging verhalen van
Gideon, Barak, Simson, Jefta, David en Samuel en
de profeten,
33 die door het geloof koninkrijken onderworpen,
gerechtigheid geoefend, de vervulling der belofte
verkregen hebben, muilen van leeuwen dichtge-snoerd,
34 de kracht van het vuur gedoofd hebben. Zij zijn aan
scherpe zwaarden ontkomen, in zwakheid hebben zij
kracht ontvangen, zij zijn in de oorlog sterk gewor-den
en hebben vijandige legers doen afdeinzen.
35 Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding
terugontvangen, anderen hebben zich laten folte-ren
en van geen bevrijding willen weten, opdat zij
aan een betere opstanding deel mochten hebben.
36 Anderen weder hebben hoon en geselslagen
verduurd, daarenboven nog boeien en gevangen-schap.
37 Zij zijn gestenigd, op zware proef gesteld, door-midden
gezaagd, met het zwaard vermoord; zij
hebben rondgezworven in schapevachten en geite-vellen,
onder ontbering, verdrukking en mishande-ling
38 - de wereld was hunner niet waardig - zij hebben
rondgedoold door woestijnen, en gebergten, in
spelonken en de holen der aarde.
39 Ook deze allen, hoewel door het geloof een getui-genis
aan hen gegeven is, hebben het beloofde
niet verkregen,
40 daar God iets beters met ons voor had, zodat zij
niet zonder ons tot de volmaaktheid konden
komen.

terug naar SOS oppeppen