SAMEN DELEN

BIJNA DOOD ERVARING

Ingezonden door: Mattanja (40)

Al op heel jonge leeftijd voelde ik mij verbonden met God. Zo ver als mijn herinneringen teruggaan, heb ik ervaren dat hij in mijn buurt was, en voelde ik me daardoor beschermd. Ik weet nog dat ik op de kleuterschool het lied: `Grote God wij loven U` leerde. Dat lied met zijn degelijke christelijke tekst raakte me heel erg, wat niet gebruikelijk is voor een kind op die leeftijd. Het lied drukte uit wat er in mij leefde. Mijn moeder had theologie gestudeerd en is dominee geworden. Zij beleefde het geloof heel anders dan ik. Bij haar stond de kerk als instituut centraal, terwijl ik het persoonlijke contact met God zocht. Mijn vader moest niets van de kerk hebben. Ik denk dat hij desondanks veel dichter bij God heeft gestaan dan mijn moeder. Dat leid ik af aan de manier waarop hij in de wereld stond, vol respect en zorg voor alles wat God gemaakt had. Als kind al was ik vaak moe, waardoor ik een stil en gesloten meisje werd en me ook vaak erg eenzaam voelde. Ik herinner me dat er op een dag een engel op mijn bed zat. "Je bent nooit alleen", zei hij. Die ervaring heeft me veel kracht gegeven. Zoals ik met andere mensen praat, zo praat ik ook met God. Vaak krijg ik een boodschap terug in de vorm van een innerlijke stem. Als ik bijvoorbeeld gekwetst wordt door iemand om iets wat hij of zij heeft gezegd, hoor ik een stem in mij die zegt: "Weet je zeker dat ze dat zo bedoelt?" Dat gebeurt niet in de vorm van een innerlijke dialoog. De stem stelt korte vragen, die mij ertoe brengen bij mezelf na te gaan of datgene wat ik doe of zeg of denk wel klopt. De stem vraagt me alleen om naar mijn eigen rol in een bepaalde situatie te kijken. Hij zegt nooit iets over een ander. Door dat contact met God, kijk ik anders tegen mensen aan. Ik veroordeel ze niet zo snel, en kom daardoor makkelijk in gesprek met anderen. Mensen durven mij dingen toe te vertrouwen, die ze moeilijk vinden, omdat ze weten dat ik hen probeer te begrijpen.

Vanaf mijn zeventiende was ik bijna altijd moe, met pieken en dalen. Doordat ik geen eenvoudig leven had gehad, namen de artsen aan dat mijn vermoeidheid een psychische achtergrond had. Eén keer ben ik naar een EHBO-post gegaan, omdat ik ontzettende pijn had in mijn buik en bijna wegzakte. Ik werd onderzocht, maar de artsen konden niks vinden. Ik kreeg te horen dat ik waarschijnlijk hyperventileerde en het voortaan een beetje rustiger aan moest doen. Eén arts nam me serieus. Hij zei: "Ik zie dat er inderdaad iets mis is, het zit niet tussen uw oren, maar ik kan u echt niet helpen. Ik weet niet wat het is." Vanaf die dag ging ik met mijn klachten niet meer naar de dokter. Ze konden toch niks voor me doen. En ik had er genoeg van om als een overspannen vrouwtje behandeld te worden. Ik heb vaak tot God gebeden en hem gevraagd of hij mij niet kon verlossen van die vermoeidheid. Dat deed hij niet. Die vermoeidheid was iets wat bij mijn leven hoorde en wat ik nodig had, al kon ik niet begrijpen waarom. Op mijn 24ste werd ik moeder van een lieve, maar drukke en moeilijke zoon. Koen was twee jaar oud, toen ik me wanhopig tot God richtte met de vraag: "Wat moet ik met dit kind? Hij luistert niet naar mij. Ik heb geen greep op hem. Wat is er met hem aan de hand? Ik heb hem van u gehad. Dan moet u er ook maar de gebruiksaanwijzing bij geven, want zo red ik het niet." Als antwoord kreeg ik de volgende ingeving: "Dat kind is niet lastig om jou te pesten. Hij weet zich ook geen raad met zichzelf. Hij heeft het nodig dat jij hem probeert te begrijpen. Je moet naast hem gaan staan en niet tegenover hem." Daar kon ik iets mee. Vanaf die dag heb ik geprobeerd door de ogen van mijn kind naar de wereld te kijken. Daardoor hebben we een veel beter contact gekregen en kon ik hem beter begeleiden. Ik bleef moe, maar omdat mijn kind veel van mij vergde, werd dat door de huisarts als de oorzaak van die moeheid gezien. Zeven jaar geleden, mijn zoon was tien jaar oud, ging het thuis echt niet meer en moest hij worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Liever had ik extra hulp gekregen zodat ik hem thuis kon houden, maar dat was niet mogelijk. Ik had inmiddels nog twee kinderen gekregen, die eveneens autistisch en/of hyperactief waren. In die tijd was ik ontzettend moe. `s Morgens bracht ik de kinderen naar school. Als ik thuiskwam, kroop ik in bed en zette de wekker, zodat ik de kinderen op tijd op zou halen. ´s Middags was het weer hetzelfde liedje. Op een dag lag ik in bed, toen ik een stem hoorde. "Zou je boven willen komen, of zou je hier willen blijven?" "Ja, dag", zei ik. "Dat kan toch helemaal niet. Ze hebben me hier nog heel erg hard nodig. Ik kan mijn kinderen en mijn man niet in de steek laten. Ze kunnen niet zonder mij." En toen zei de stem, en terwijl hij sprak voelde ik me kalmer worden. "Jullie zullen aan rustige wateren en aan grazige weiden komen." Het was een zin uit de bijbel. Voor mij was het een geruststellende boodschap. Wat er ook zou gebeuren. In de toekomst zou het beter met ons gaan, en zou ons gezin tot rust komen. "Ik ga zelf voor hem zorgen", zei de stem. Vanaf dat moment wist ik, dat ik het kon loslaten en dat het allemaal goed zou komen. God zou zich over mijn zoon ontfermen. Toen ik opstond zat die vreselijk moeheid nog steeds in mijn botten, maar toch voelde ik me sterker, rustiger en vol vertrouwen. Ik vertelde mijn man en mijn kinderen wat ik beleefd had. Ze waren er van onder de indruk omdat ze zagen dat die ervaring mij veranderd had. Ook andere mensen zagen dat. "Je straalt gewoon", zei er iemand tegen mij. Het vertrouwen, de rust en de kracht die ik in mij had, kon ik overbrengen op mijn zoon. Zonder angst zag hij daardoor de opname tegemoet. Onze houding was veranderd. Ik had het er nog steeds moeilijk mee, dat hij opgenomen moest worden, maar ik wist dat het goed was. We gingen ervoor. We zouden er het beste van maken. Koen nam die houding over. Je zag het hem denken: ik kom hier weer vandaan; ik ga hier mijn best doen, en papa en mama doen hun best; ik red het wel. Pas nadat die ervaring zich herhaalde, realiseerde ik me dat ik op dat moment de keus had gehad om dood te gaan Toendertijd stond ik daar niet bij stil. Ik was pas 33. Ik dacht nog niet aan de dood. Koen is twee jaar opgenomen geweest, toen mocht hij weer terug naar huis.

November 2003 ging het weer helemaal mis met mij. De thuissituatie eiste haar tol. De huisarts vermoedde dat ik een ernstige burn-out had. Omdat mijn voorgeschiedenis en de situatie met de kinderen dat aannemelijk maakten, onderzocht hij niet of er een lichamelijke verklaring voor mijn uitputtingsverschijnselen was. Vanuit de kerk kon ik zes weken naar een herstellingsoord gaan. Mijn man zag dat dit gewoon heel hard nodig was en vond dat ik moest gaan, hoe moeilijk dat ook voor hemzelf was. Ik besloot het te doen. Zo ging het ook niet verder. Ik wist toen nog niet dat ik een allergie had tegen bepaalde voedingsmiddelen, met name tegen mosterd. Donderdag ging ik naar het herstellingsoord. Zaterdag at ik een kroketje met mosterd. Iets dat ik de dinsdag daarop herhaalde. Die dag ging het dus mis. Ik voelde me heel vreemd, heel afwezig, en besloot daarom na het middageten een dutje te doen. Ik lag op bed en zonk weg in een diepe duisternis, zo zwart, dat ik bij wijze van spreken niet eens mijn eigen dromen had kunnen zien als ik die gehad zou hebben. Toch was ik niet bang. Zoals altijd voelde ik dat God bij mij was. Toen ik wakker werd, voelde ik me heel zwaar. Het duurde een tijdje voor ik mijn armen en benen kon bewegen en op kon staan. Ook moest ik wennen aan het licht. Het was te fel voor mij. En nog steeds was er dat rare, afwezige gevoel. Het drong daardoor niet goed tot me door wat er met me gebeurde. Ik had natuurlijk een dokter moeten waarschuwen. Maar dat kwam niet in me op. Twee dagen later voelde ik me opeens heel duizelig worden. Het was tijdens de huisvergadering. In de verte hoorde ik een vrouw vertellen dat haar deurkruk kapot was, en iemand anders zei dat haar raam klemde. Ik begon te zweten. Mijn hart ging als een razende tekeer. Ik kon niet meer blijven zitten. Ik verontschuldigde me en zei dat ik even op mijn bed wilde gaan liggen. Iemand van het personeel kwam met mij mee. Hij nam mijn bloeddruk op en stelde vast dat die erg hoog was. "Zal ik niet liever de huisarts bellen?" vroeg hij. "Nee hoor, dat hoeft niet", antwoordde ik. "Zo erg is het niet." Ik had zo vaak van een dokter te horen gekregen dat er niks aan de hand was, dat ik van hun kant geen hulp verwachtte. "Ga dan maar lekker even slapen", zei de man. "Welterusten." Hij verliet de kamer. Om 12.00 uur werd er eten op mijn kamer gebracht. Ik voelde me vreselijk beroerd. Ik had erge hoofdpijn en mijn hart ging verschrikkelijk tekeer. Iets in me zei echter dat ik mijn bord leeg moest eten en dat heb ik ook gedaan, huilend van ellende. Nadat ik me door het bord heen had geworsteld ging ik op bed liggen, met mijn gezicht naar de muur. Door de muur heen voelde ik de schaduwen van de wolken voor de zon schuiven. Een schaduw trok over me heen. Ik was alleen, maar voelde me niet zo. Op de stoel naast het tafeltje zat een engel die over me waakte. Dat gevoel was zo sterk dat ik mijn hoofd niet hoefde om te draaien om te kijken of het inderdaad zo was. Daar was ik op dat moment ook niet toe in staat. Voor ik opnieuw de diepe inktzwarte duisternis indook, zag ik mezelf boven mijn lichaam zweven. Hé, ik kan zelfs hier horen, hoe mijn hart bonkt, dacht ik. Vanuit de duisternis kwam ik in een grote, ruime, lichte koepel. Ik had geen besef meer van een lichaam. Ik was alleen met mijn geest daar, en dat was ook voldoende, een lichaam had ik niet nodig. De koepel was binnen, en tegelijkertijd ook buiten. Het licht dat er scheen was geen zonlicht, maar heel helder, wit licht. Ik voelde me er warm en beschermd en ontzettend welkom. Net alsof ik van een lange reis terugkwam. Op een kleine afstand voelde ik de aanwezigheid van God. Ik wist dat God en de engelen die bij Hem waren, alles van me wisten. Hier hoefde je je niet anders voor te doen, dan je was. Dat gaf me heel veel rust. Het voelde fantastisch om volkomen jezelf te kunnen zijn en gewaardeerd te worden om wie je was. Op aarde ben je er heel erg mee bezig om je te gedragen zoals jij wilt dat andere mensen je zien, maar God ziet alleen je binnenkant en helemaal géén buitenkant Toen hoorde ik dezelfde vraag die ik al eerder in mijn leven had gehoord. "Stel dat je nu mag kiezen. Wat zou je nu doen?" "Het is niet aan mij om dat te beslissen", zei ik. "Die beslissing wil ik terugleggen bij u. Maar ik vind wel dat u het niet kunt maken om mij naar huis te halen, want mijn gezin heeft me nog heel erg nodig. Ik weet niet of zij het zullen redden, als ik er niet meer ben. Mijn dood zal voor hen heel demotiverend zijn." Het was heel bijzonder. Ik kon op voet van gelijkwaardigheid met God praten, ik mocht mezelf zijn, en tegelijkertijd ervoer ik ook zijn Majestueuze Heerlijkheid en Grootsheid. Naast God stond een groepje engelen. Ze gaven me het idee dat ze ontzettend blij waren dat ik thuisgekomen was, maar hun vreugde werd nog groter toen ik zei dat ik terug wilde gaan, al vond ik het daarboven ontzettend fijn. Ik vroeg God of ik dichterbij mocht komen. "Dat kan niet", werd er doorgegeven. "Als je dat zou doen, zul je het leven op Aarde niet meer aankunnen." Later heb ik begrepen wat Hij daarmee bedoelde. Na deze ervaring ben ik veel emotioneler geworden. Ik word sneller geraakt door muziek, door boeken of door het verdriet van andere mensen. Het brengt me terug bij die herinnering van warmte, liefde en intense bewogenheid met ons mensen, en dan voel ik heimwee naar de hemel. Ook kan ik minder goed afstand nemen van de problemen van anderen. Als ik nog dichterbij was gekomen, had ik inderdaad hier beneden niet meer kunnen functioneren. Toen ik weer terug was in mijn lichaam, had ik niet direct het besef dat ik een BDE-ervaring had gehad, misschien ook wel omdat ik geen overleden familieleden had gezien. Het leek net, of God mij even `thuis` had geroepen om aan de hand daarvan met de engelen te overleggen, hoe mijn leven verder zou kunnen verlopen. God beslist wanneer ik definitief Boven zal komen, daar kunnen wij mensen niet over beslissen, maar ik mocht wel aangeven dat ik het nog steeds niet de juiste tijd vond om al afscheid te nemen van mijn gezin, hoe moeilijk het hier Beneden ook is. Wat mijn taak op Aarde precies zal zijn, dat weet ik niet, maar ik weet wel, dát er nog een taak is. Terug in mijn lichaam, merkte ik dat ik nog heel erg zweette. Het was net alsof ik koorts had. Dan had ik het warm, dan was ik weer rillerig. Alleen mijn hart was tot rust gekomen. Ik was helemaal vol van mijn ervaring, en wilde er graag over praten. Daar begon ik mee, toen er iemand mijn kamer binnenkwam om te kijken hoe het met me was. Zij kon niet zoveel met mijn verhaal. "Ik stuur wel even iemand naar je toe, om je bloeddruk te meten", zei zij een tikkeltje hulpeloos. Ook mijn man wist niet goed hoe hij moest reageren toen ik hem later aan de telefoon mijn verhaal vertelde. Ik heb het er ook met de psycholoog van het herstellingsoord over gehad. Hij liet me vertellen, maar wist ook niet wat hij ervan zeggen moest. Ik ben nog zes weken in het herstellingsoord gebleven. We hebben daarna vanuit het persoonsgebonden budget voor Koen nog iemand aangenomen en we kregen meer thuiszorg, zodat we elke dag in de week ondersteuning hadden. Dat was keihard nodig geweest. In de tijd na de ervaring bleef ik bezig met wat ik had meegemaakt. Ik wilde het kunnen plaatsen. In mijn hoofd spookten de woorden rond die ik ergens in de bijbel gelezen had: schaduwen des doods. Voor ik de diepe duisternis ingedoken was, had ik schaduwen over me heen voelen komen. Wat was daarmee? Ik ben op zoek gegaan in de bijbel en daar kwam ik het tegen. In een psalm werd niet alleen de schaduw des doods beschreven als voorbode van de dood, maar ook de andere verschijnselen die ik had gehad, waaronder de hartkloppingen. Het was heel bijzonder om dat terug te lezen. Het betekende dat ik inderdaad dicht bij de dood was geweest. In de weken erna ging het steeds meer op zijn plek vallen wat er was gebeurd. Ik begreep dat ik een BDE-ervaring had meegemaakt. Ik sprak erover met de dominee. Van hem kreeg ik steun en begrip. "Als je mensen zoekt die soortgelijke ervaringen hebben gehad, kun je je verhaal in ons kerkblad schrijven", stelde hij voor. Daar heb ik nog geen gebruik van gemaakt, omdat ik dat nog moeilijk vind. Wel ben ik er nieuwsgierig naar of er in de levens van andere mensen met een BDE-ervaring ook een lijn te ontdekken valt waarin hun ervaring past, omdat wetenschappers de BDE's zelf wel onderzoeken, maar niet de plaats die het in iemands leven inneemt. Er zijn daarbij wel veel gemeenschappelijke ervaringen: de schaduw; het heldere licht; de manier waarop men met God gesproken had; het gevoel dat men in zijn nabijheid had gekregen. Niet iedereen wil deze ervaring met anderen delen. Sommige mensen vinden deze daarvoor te persoonlijk. Bovendien, als je het over een engelervaring hebt, denken sommige mensen al dat je niet helemaal normaal bent. Laat staan dat je het over zoiets hebt. Ik vind dat je over dit soort dingen open moet kunnen praten. Omdat het ook andere mensen troost kan geven. Het komt zo vaak voor, maar als niemand erover praat, denken veel mensen, dat het een zeldzaam verschijnsel is en dus niet `normaal`. Veel mensen reageerden belangstellend op mijn verhaal en wilden er alles van weten. Maar er zijn ook mensen geweest die jaloers reageerden, zij hadden ook wel dat onderonsje met God willen hebben. Tijdens mijn BDE-ervaring heb ik de nabijheid van God heel sterk ervaren. Maar iedereen die ervoor openstaat kan de aanwezigheid van God ervaren. Daar hoef je niet bijna dood voor te gaan

In het afgelopen jaar, wilde ik het onderonsje met God steeds opnieuw beleven. Dat is niet goed. Daar was dat gesprek niet voor bedoeld. Ik begreep dat ik daar los van moest komen, de ervaring zelf is niet waar het leven nu om draait. De ervaring heeft me moed en kracht gegeven en die ben ik gaan benutten voor de dingen die er werkelijk toe doen. Ik ben me in gaan zetten voor mensen met een handicap. Deze worden heel snel aan de rand van een samenleving geplaatst: in een instelling, op een bijzondere school. Ik vind dat verkeerd. Ik wilde dat mijn kinderen die ook een handicap hebben, hun plek in de maatschappij zouden leren vinden. En dat lukt niet als je ze afzondert. Om mensen met een handicap bij de maatschappij te betrekken, moet je ze helpen de eigenschappen of trucjes die ze daarvoor nodig hebben te ontwikkelen. De stichting waarvoor ik me inzet vecht ervoor dat ook gehandicapten hun plek in de samenleving krijgen. Binnen die stichting ben ik heel actief geworden. Maar mijn werk voor de stichting is niet de uiteindelijke reden waarom ik op aarde ben gebleven. Er gaat nog meer komen. Ik heb dit werk nodig om met dingen te oefenen. Het is een opstapje naar iets anders, dat voel ik. De BDE-ervaring had me kracht gegeven, maar ik kreeg ook meer energie doordat ik er eindelijk achterkwam wat er met mij aan de hand is. Aan het eind van het jaar 2003 werd ontdekt dat ik allergisch was voor mosterd. Maar niet in een zodanige mate dat ik daar zo doodziek van had kunnen worden. Omdat de reguliere geneeskunde nog steeds geen verklaring kon vinden voor mijn klachten ben ik in het alternatieve circuit gaan zoeken. Daar ontdekte men dat ik een stofwisselingsziekte heb, die die allergische reactie op mosterd versterkt had. Mijn huisarts bevestigde die diagnose niet, maar dat interesseerde mij niet. Ik had baat bij de preparaten die ik voorgeschreven kreeg. Ik was niet meer zo moe als eerst. Sinds december 2004 gaat het stukken beter met mij. Door de vermoeidheid had ik opgesloten gezeten in mezelf. Nu kan ik eindelijk de mensen laten zien wie de echte Mattanja is. Ik ben veel slagvaardiger geworden. Door die moeheid was ik daar vroeger te traag voor. Ik kon niet snel en adequaat reageren in een gesprek met anderen. Daardoor was ik stil en wisten de mensen niet wie ze voor zich hadden. Daar heb ik erg onder geleden.

Ik heb heel vaak gebeden tot God om me van mijn moeheid te verlossen. Maar ik begrijp nu dat God door die vermoeidheid mij een reden gaf om contact met hem te blijven zoeken. Ellende, ziekte en narigheid moet je niet alleen negatief duiden. Door de ervaringen die ik had ben ik gaan begrijpen dat tegenslag iets is waarvan je moet denken: oké dat is er, dat moet ik accepteren. Je moet niet tegen je noodlot vechten, je moet het accepteren en samen met God je weg erin zien te vinden, want daar groei je door. Zo hebben mijn kinderen me heel veel energie en kracht gekost, maar ik heb ook ontzettend veel van ze geleerd. Het gaat nu boven alle verwachtingen heel goed met hen. Van mijn oudste zoon werd gezegd, dat ik blij mocht zijn als hij straks begeleid kon gaan wonen. Binnenkort doet hij eindexamen. Ook de andere twee kinderen gaan naar een gewone school. Ook mijn dochter is twee jaar opgenomen geweest. Gisteravond had ik een heel goed gesprek met haar. Ze zei dingen die me echt heel trots op haar lieten zijn. Als het in ons leven allemaal van een leien dakje was gegaan, dan hadden we allebei gewerkt, dan hadden we weinig aandacht aan de kinderen besteed, dan hadden we veel minder van hen geleerd en waren we minder gerijpt als mens. Doordat we samen zoveel moeilijkheden hebben overwonnen, zijn we erg met elkaar verbonden geraakt. Onze band met onze kinderen is heel sterk en liefdevol. We zijn een gelukkig gezin. Mijn kinderen zijn autistisch, maar het zijn geen probleemkinderen, het zijn prachtige individuen. Ik verlang er niet naar om deze ervaring nog een keer mee te maken, ik ga heus niet stiekem een theelepeltje mosterd eten. En toch ben ik niet bang voor de dood. Je gaat dood op een tijdstip dat door God bepaald wordt. Je hebt niks te zeggen over het moment waarop dat gebeurt. En het is wel zo fijn dat je daar geen inspraak in hebt, dat je dat in zijn handen mag leggen, dat geeft rust. Ik weet dat als het zover is, ik er klaar voor zal zijn.