NEDERIGHEID
door
Pastor Michel Meeuws

(aflevering
16)
|
Mattheüs
7:7-12
‘Bidt
en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal
opengedaan worden. Want een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt,
vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. Of welk mens onder u
zal, als zijn zoon hem om brood vraagt, hem een steen geven? Of als hij
een vis vraagt, zal hij hem toch geen slang geven? Indien dan gij,
hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen,
hoeveel te meer zal uw Vader in de hemelen het goede geven aan hen, die
Hem daarom bidden.’
|
De
vergelijking wordt getrokken dat God zoveel beter is dan mensen.
Alhoewel mensen, wat betreft de liefde voor hun kinderen, in dat opzicht
zeker ook liefde tonen. God blijkt vooral in dit stukje een gevende God
te zijn die vooral uit liefde geeft en het goede met ons voor ogen
heeft. Maar ondanks dat kunnen er in je leven toch periodes zijn waarin
je dat aspect van God helemaal niet ervaart. Dat kunnen periodes zijn
waarin geestelijk of lichamelijk lijden, pijn en eenzaamheid de overhand
nemen. Het gevaar dat je dan gaat klagen en oordelen is dan ook helemaal
niet zo vreemd. Je wilt liefde ontvangen van God en van mensen maar als
je iets wilt ontvangen moeten je handen wel leeg zijn. Vaak zijn ze
echter gebald van woede of bitterheid, of de wijsvinger wordt
uitgestoken om te veroordelen, of de handen zijn leeg en vertwijfeld en
zijn niet meer in staat om nog een kom te vormen die gevuld kan worden.
In
een wereld van onzekerheid waar de reclame een schijnbare vorm van
zekerheid biedt kan God alleen maar zekerheid geven. Maar dat betekent
wel dat je je moet realiseren dat er een Vader is die in staat is om
datgene te geven wat jij nodig hebt. Het belangrijkste gegeven hierin is
dat God een liefdevol verlangen heeft om te geven. De vraag is alleen,
hoe staan onze handen?
|
Nederigheid:
Ik
stel mijn vertrouwen op de Heer, mijn God. Want in zijn hand ligt heel
mijn levenslot. Hem heb ik lief, zijn vrede woont in mij. Ik zie naar
Hem op en ik weet: Hij is mij steeds nabij.
|


|